ziedden
Uiterlijk
- zied·den
| vervoeging van |
|---|
| zieden |
ziedden
- meervoud verleden tijd van zieden
- Wij ziedden.
- Jullie ziedden.
- Zij ziedden.
- Wij ziedden.
- Het woord ziedden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
| vervoeging van |
|---|
| zieden |
ziedden