zobi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

zobi m

  1. (spreektaal) lul, pik [1]
Schrijfwijzen

Tussenwerpsel

zobi

  1. (spreektaal) écht niet! dikke lul!
    «Tu crois que j’vais faire de la lèche au prof pour qu’il remonte ma note? Zobi
    Denk je dat ik ga slijmen bij de leraar zodat hij mijn punt verhoogt? Echt niet! [1]

Verwijzingen