zegevierde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ge·vier·de

Werkwoord

vervoeging van
zegevieren

zegevierde

  1. enkelvoud verleden tijd van zegevieren
    • Ik zegevierde. 
    • Jij zegevierde. 
    • Hij, zij, het zegevierde.