zegelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ge·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zegel met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zegelen
zegelde
gezegeld
zwak -d volledig

Werkwoord

zegelen

  1. overgankelijk van een zegel of stempel voorzien
    • De stukken werden gezegeld. 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be