zal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zal

Werkwoord

vervoeging van
zullen

zal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zullen
    • Ik zal. 
  2. gebiedende wijs van zullen
    • Zal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zullen
    • Zal je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.


Etruskisch

Hoofdtelwoord

zal

  1. twee