waak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waak

Werkwoord

vervoeging van
waken

waak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waken
    • Ik waak. 
  2. gebiedende wijs van waken
    • Waak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waken
    • Waak je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.