voorziet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·ziet

Werkwoord

vervoeging van
voorzien

voorziet

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorzien
    • Jij voorziet. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorzien
    • Hij voorziet. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van voorzien
    • Voorziet!