vogelschrik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vo·gel·schrik
enkelvoud meervoud
naamwoord vogelschrik vogelschrikken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vogelschrik m

  1. een voorwerp dat bedoeld is om vogels te verjagen
  2. overdrachtelijk een persoon met schrikwekkend uiterlijk
    «Waarom draag je die leelijke pruik? Zet die af, want zoo'n leelijken vogelschrik kunnen we niet uitstaan.[1]»
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Uit het land der Middernachtzon: sprookjes Peter Christen Asbjørnsen Nijgh & Van Ditmar, 1886