verloor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·loor

Werkwoord

vervoeging van
verliezen

verloor

  1. enkelvoud verleden tijd van verliezen
    Ik verloor.
    Jij verloor.
    Hij, zij, het verloor.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
verloor
verloor
volledig

Werkwoord

verloor

  1. verliezen
    «Jy gaan dit verloor
    Dat ga je verliezen!