verloor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·loor

Werkwoord

vervoeging van
verliezen

verloor

  1. enkelvoud verleden tijd van verliezen
    • Ik verloor. 
    • Jij verloor. 
    • Hij, zij, het verloor. 
     Het was fascinerend om te zien hoeveel zout ik verloor: na dagen zonder douche stond mijn shirt stijf van de zoute strepen en bleef het bijna rechtop staan.[1]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

Uitspraak
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
verloor
verloor
volledig

Werkwoord

verloor

  1. verliezen
    «Jy gaan dit verloor
    Dat ga je verliezen!