Naar inhoud springen

venir

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
tegenw.
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vinc venia vingut
3e vervoeging volledig onregelmatig

venir

  1. komen


stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
venir
/vəniʁ/
venais
/vənɛ/
venu
/vəny/
derde groep volledig
  • Uit Middelfrans venir Oudfrans venir. Verder te herleiden tot het Latijnse venire, "komen". [1] De gereconstrueerde wortel in het PIE is *gwem-.

venir

  1. komen
    «Je ne peux pas venir
    Ik kan niet komen.
  • ve·nir

venir

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
venir
venía
venido
volledig
  1. onovergankelijk komen, overkomen
    «No puedes venir aquí.»
    Je kunt hier niet komen.
  2. overkomen, gebeuren