vandaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • van·daar

Bijwoord

vandaar

  1. vanuit die plek
    Hij reed naar Rotterdam en nam vandaar de trein.
  2. duidt een causaal verband aan met een voorafgaande zinsnede
    Hij had vreselijke haast. Vandaar die bon.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.