Naar inhoud springen

vandaar

Uit WikiWoordenboek
  • van·daar

vandaar

  1. vanuit die plek
    • Hij reed naar Rotterdam en nam vandaar de trein. 
  2. duidt een causaal verband aan met een voorafgaande zinsnede
    • Hij had vreselijke haast. Vandaar die bon. 
     'Zijn telefoon lag op zijn bed en daar kwam ik uw gegevens tegen, vandaar dat ik u bel.[1]
     Er was drie jaar voor de verbouwing uitgetrokken, vandaar dat het zaak was om goed te beginnen en een sterk team te vormen.[1]
100 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be