unschuldiche

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • un·schul·di·che
stellend vergrotend overtreffend
unschuldich

Bijvoeglijk naamwoord

unschuldiche

  1. attributieve vorm bepaald datief enkelvoud van unschuldich

unschuldiche

  1. attributieve vorm bepaald meervoud van unschuldich
    «Uff em Freidaagowed hot die ISIS widder en Aagriff uff unschuldiche Leit geduh.»
    Laatste vrijdagavond heeft de ISIS weer een aanval op onschuldige mensen gemaakt.

Bijvoeglijk naamwoord

unschuldiche

  1. attributieve vorm onbepaald datief enkelvoud van unschuldich

unschuldiche

  1. attributieve vorm onbepaald datief meervoud van unschuldich