uitpuilend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·pui·lend
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen uitpuilend
verbogen uitpuilende
partitief uitpuilends

Bijvoeglijk naamwoord

uitpuilend

  1. naar buiten uitstekend
    • Zij keek met verbaasde, uitpuilende ogen naar haar cijferlijst waar alleen maar negens en tienen op stonden. 

Werkwoord

vervoeging van
uitpuilen

uitpuilend

  1. onvoltooid deelwoord van uitpuilen

Gangbaarheid