uitbetaling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·be·ta·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitbetaling uitbetalingen
verkleinwoord uitbetalinkje uitbetalinkjes

Zelfstandig naamwoord

uitbetaling v

  1. de actie van het uitbetalen
    • De uitbetaling werd direct afgehandeld. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.