tulen

Uit WikiWoordenboek


Nederlands

bruidsjurk met een tulen sleep
Uitspraak
Woordafbreking
  • tu·len
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tulen
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

tulen [1]

  1. gemaakt van tule, een fijnmazig, doorzichtig garenweefsel
     Zij in een zachtroze tulen jurk, hij in een blauw pak met matchende roze stropdas. Ze stralen op ’hun’ dag. Ook de kids lopen er tiptop bij: de jongens strak in pak met stralende nieuwe witte sneakers, de enige dochter net als mama in tule.[2]
     Somiy naaide een blinde rits in het tulen lijfje en bevestigde een rij witte pareltjes langs de sluiting. Allemaal handwerk. „Alles is te maken”, zegt hij. „Alleen duurt iets moeilijks gewoon wat langer. Maar wat het moeilijkst is, wordt ook het mooist.”[3]

Gangbaarheid

39 % van de Nederlanders;
21 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron
    MAROUSCHA VAN DE GROEP
    “’Trouwfile’ op 20-02-2020: ’Er was nog maar één plekje vrij...’” (20 feb. 2020), De Telegraaf
  3. Bronlink Weblink bron
    Geertje Bikker-Otten en Clasina van den Heuvel
    “De charme van maakwerk” (23-03-2019), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be