trad
Uiterlijk
- trad
| vervoeging van |
|---|
| treden |
trad
- enkelvoud verleden tijd van treden
- Ik trad.
- Jij trad.
- Hij, zij, het trad.
- Ik trad.
- ▸ Op 11 juli trad er een vrij plotselinge daling op in de gemiddelde luchtdruk, terwijl ook de dagelijkse variaties in de windrichting afwijkingen vertoonden.[1]
- ▸ Nu trad zij in zijn voetsporen, want ook al was het bezit zonder wapenvergunning verboden, ze kon geen afstand doen van het jachtgeweer dat hem zo dierbaar was geweest en besloot het te houden.[2]
- Het woord trad staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "trad" herkend door:
| 77 % | van de Nederlanders; |
| 69 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ “Nieuws uit de kosmos” (2024), Fontaine Uitgevers
, ISBN 9789464043075 - ↑ Teuntje de Haan“Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij
, ISBN 9789021409375 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 77 %
- Prevalentie Vlaanderen 69 %