treden/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van treden | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | treden | te treden | ||||||||
| toekomend | zullen treden | te zullen treden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben[1]/zijn[2] getreden | te hebben[3]/zijn[4] getreden | ||||||||
| toekomend | getreden zullen hebben[5]/zijn[6] | getreden te zullen hebben[7]/zijn[8] | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| tredend | getreden | ev. treed | mv. verouderd treedt | trede | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | treed | treedt | treedt | treedt | treedt | treden | treden | treden | |||
| verleden (o.v.t.) | trad | trad | trad | tradt[9] | trad | traden | traden | traden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal treden | zult/zal treden | zult/zal treden | zult treden | zal treden | zullen treden | zullen treden | zullen treden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou treden | zou treden | zou(dt) treden | zoudt treden | zou treden | zouden treden | zouden treden | zouden treden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| onpersoonlijke lijdende vorm getreden worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt getreden | er is getreden | |||||||||
| verleden | er werd getreden | er was getreden | |||||||||
| toekomend | er zal getreden worden | er zal getreden zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou getreden worden | er zou getreden zijn | |||||||||
| lijdende vorm getreden worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | getreden worden | getreden te worden | ||||||||
| toekomend | getreden zullen worden | getreden te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | getreden zijn | getreden te zijn | ||||||||
| toekomend | getreden zullen zijn | getreden te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word getreden | wordt getreden | wordt getreden | wordt getreden | wordt getreden | worden getreden | worden getreden | worden getreden | |||
| verleden (o.v.t.) | werd getreden | werd getreden | werd getreden | werdt getreden | werd getreden | werden getreden | werden getreden | werden getreden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal getreden worden | zult getreden worden | zult getreden worden | zult getreden worden | zal getreden worden | zullen getreden worden | zullen getreden worden | zullen getreden worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou getreden worden | zou getreden worden | zou/zoudt getreden worden | zoudt getreden worden | zou getreden worden | zouden getreden worden | zouden getreden worden | zouden getreden worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben getreden | bent getreden | bent/is getreden | zijt getreden | is getreden | zijn getreden | zijn getreden | zijn getreden | |||
| verleden (v.v.t.) | was getreden | was getreden | was getreden | waart getreden | was getreden | waren getreden | waren getreden | waren getreden | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal getreden zijn | zult getreden zijn | zult getreden zijn | zult getreden zijn | zal getreden zijn | zullen getreden zijn | zullen getreden zijn | zullen getreden zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou getreden zijn | zou getreden zijn | zou/zoudt getreden zijn | zoudt getreden zijn | zou getreden zijn | zouden getreden zijn | zouden getreden zijn | zouden getreden zijn | |||
- ↑ overgankelijk
- ↑ ergatief
- ↑ overgankelijk
- ↑ ergatief
- ↑ overgankelijk
- ↑ ergatief
- ↑ overgankelijk
- ↑ ergatief
- ↑ De vervoeging van sterke werkwoorden bestaat uit de verledentijdsstam (verleden tijd enkelvoud) met uitgang -t (behalve als de stam al op een t eindigt). De klinker a wordt daarbij verdubbeld tot aa, indien de vorm niet eindigt op -d of -t.