toros

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·ros
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Russisch
enkelvoud meervoud
naamwoord toros torossen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

toros m

  1. opeengestapelde ijsschotsen
Synoniemen

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
26 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be