toeteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
toeteren
toeterde
getoeterd
zwak -d volledig

Werkwoord

toeteren

  1. inergatief claxonneren, waarschuwen door middel van een geluidssignaal
    • In Nederland mag je met de auto alleen toeteren als er gevaar dreigt. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie