timer
Uiterlijk

- ti·mer
uit het Engels timer = klok
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | timer | timers |
| verkleinwoord |
de timer m
- klok (in computers en andere electronische apparatuur)
- In iedere computer zit een timer die bepaalt hoe snel de berekeningen worden uitgevoerd.
- wekker
- Voor je gaat bakken moet je de timer van de over op 60 minuten zetten.
- Het woord timer staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "timer" herkend door:
| 95 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be