timer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[1] computer timer
[2] 10 minuten timer
Uitspraak
Woordafbreking
  • ti·mer
Woordherkomst en -opbouw

uit het Engels timer = klok

enkelvoud meervoud
naamwoord timer timers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

timer m

  1. klok (in computers en andere electronische apparatuur)
    • In iedere computer zit een timer die bepaalt hoe snel de berekeningen worden uitgevoerd. 
  2. wekker
    • Voor je gaat bakken moet je de timer van de over op 60 minuten zetten. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.