tida

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Noors

Woordafbreking
  • ti·da
Naar frequentie 1537

Zelfstandig naamwoord

tida, v

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van tid
Schrijfwijzen
Uitdrukkingen en gezegden
  • halv sju-tida
halv zeven


Nynorsk

Woordafbreking
  • ti·da

Werkwoord

tida

  1. onbepaalde wijs, tweede vorm naast tide, zie aldaar

Zelfstandig naamwoord

tida, v

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van tid