tiaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[1] tiaar
[2] tiaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • ti·aar
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Perzisch
enkelvoud meervoud
naamwoord tiaar tiaren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tiaar v/m

  1. kroon van de paus
  2. een (half-)rond hoofdsieraad voor vrouwen, meestal gemaakt van goud of platina, en versierd met edelstenen
Synoniemen

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
35 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be