suer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
suer
suais
sué
eerste groep volledig

Werkwoord

suer

  1. (onovergankelijk) transpireren, zweten
  2. (overgankelijk) uitzweten, ademen, uitademen
    «Cette maison sue le mystère et la peur.»
    1. Dit huis ademt geheimzinnigheid en angst.[1]
Verwijzingen
  1. Charles Tailliart, L'Algérie dans la littérature française