smeuïg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smeu·ig
Woordherkomst en -opbouw
  • Een ablautende vorm naast smijdig. Vroeger bestond ook de nevenvorm smeudig.
  • afgeleid van smeu met het achtervoegsel -ig [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen smeuïg smeuïger smeuïgst
verbogen smeuïge smeuïgere smeuïgste
partitief smeuïgs smeuïgers -

Bijvoeglijk naamwoord

smeuïg

  1. smijdig, buigzaam
    • Hoe smeuïger het leer is, des te duurder is de handtas. 
  2. (van voedsel) dikvloeibaar, smeerbaar.
    • Zo'n boterham met wat smeuïge kaas erop is altijd lekker. 
  3. (van taalgebruik) plastisch, vol kenmerkende wendingen met als doel leuk en interessant te klinken.
    • Smeuïg taalgebruik wordt niet door iedereen op prijs gesteld. 
    • Niet dat The Favourite zich iets aantrekt van de werkelijkheid, of hoe die werkelijkheid er in films over die periode doorgaans uitziet. Dat komt door het smeuïge scenario van Deborah Davis en Tony McNamara, vol seks en jaloezie, verraad en vulgariteiten. Het woord ‘kutwijf’ valt verrassend vaak. [2] 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen