Naar inhoud springen

signa

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sig·na
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

de signamv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord signum

Gangbaarheid


Frans

Werkwoord

vervoeging van
signer

signa

  1. derde persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van signer


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
signar

signa

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van signar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van signar
vervoeging van
signarse

signa

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van signarse