schots
Uiterlijk
- schots
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schots | schotsen |
| verkleinwoord | schotsje | schotsjes |
- drijvend plat stuk ijs [5]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | schots | schotser | schotst |
| verbogen | schotse | schotsere | schotste |
| partitief | schots | schotsers | - |
schots [6]
- Het woord schots staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "schots" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 94 % | van de Vlamingen.[8] |
- ↑ "schots" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ schots op website: Etymologiebank.nl
- ↑ schots op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 97 %
- Prevalentie Vlaanderen 94 %