schonkig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schon·kig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schonkig schonkiger schonkigst
verbogen schonkige schonkigere schonkigste
partitief schonkigs schonkigers -

Bijvoeglijk naamwoord

schonkig

  1. grofgebouwd, met grote botten
    • Achter de tap stond niet Blauwe Jaap, de oude kastelein, doch een schonkige vrouw van middelbare leeftijd. [2] 

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
29 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Sedert 1858?
  2. De avond valt & Welverdiende onrust S. Carmiggelt Singel Uitgeverijen, 2011, ISBN 9789029581134
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be