schoffelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schof·fe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schoffelen
schoffelde
geschoffeld
zwak -d volledig

Werkwoord

schoffelen

  1. (landbouw) onkruid verwijderen met een schoffel
    • Hij is bezig de tuin te schoffelen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.