schicken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • schi·cken
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schicken
[ˈʃɪkn̩]
schikte
[ˈʃɪktə]
geschikt
[ɡəˈʃɪkt]
volledig

Werkwoord

schicken

  1. overgankelijk sturen, opsturen
    «Schicken Sie es mir.»
    Stuur het naar mij op.