scharrel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schar·rel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord scharrel scharrels
verkleinwoord scharreltje scharreltjes

Zelfstandig naamwoord

scharrel m [2]

  1. het scharrelen
  2. persoon met wie men een niet al te serieuze amoureuze relatie heeft

Werkwoord

vervoeging van
scharrelen

scharrel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scharrelen
    • Ik scharrel. 
  2. gebiedende wijs van scharrelen
    • Scharrel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scharrelen
    • Scharrel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie