schampen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scham·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schampen
schampte
geschampt
zwak -t volledig

Werkwoord

schampen

  1. overgankelijk (vrijwel) stilstaand voorwerp rakelings treffen
    • Een vrachtauto werd op die overweg geschampt door een voorbijrazende trein. 
  2. wederkerig elkaar ~ als tegenliggers rakelings treffen
    • De beide vrachtwagens schampten elkaar, maar de schade viel wonder boven wonder mee. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.