residente

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·si·den·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord residente residentes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

residente v [1]

  1. vrouwelijke resident
  2. vrouw van de resident

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen