rancher

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ran·cher
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord rancher ranchers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rancher m

  1. (Amerikaanse) vee- en paardenfokker; bezitter van een ranch
     Dinsdagavond arresteerde de FBI acht bezetters bij een verkeerscontrole. Een negende bezetter werd daarbij doodgeschoten, vermoedelijk in een vuurgevecht. Het bleek om een van de meest markante figuren uit de club van bezetters te gaan, de 54-jarige rancher LaVoy Finicum.[1]
     In het zuiden van Brazilië experimenteert een rijke rancher met natuurbescherming, ecotoerisme en veeteelt. Het resultaat is spectaculair.[2]

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “Politie VS sluit wegen naar bezet natuurpark Oregon af” (28-01-2016), Tubantia
  2. Bronlink Weblink bron Noël van Bemmel “In dit stuk van de Braziliaanse Pantanal is het niet moeilijk om jaguars te spotten” (8 december 2019), de Volkskrant
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be