rampokker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ram·pok·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Van Maleis rampok.
enkelvoud meervoud
naamwoord rampokker rampokker
verkleinwoord rampokkertje rampokkertjes

Zelfstandig naamwoord

  1. iemand die gewelddadige misdaad pleegt, bandiet, bendelid
    • Nader meldt men ons uit Buitenzorg, dat de rampokker, die in de dessa Tji-Seëng is opgevat, niet gehangen, doch door een houw over het hoofd ernstig verwond is.[1] 

Gangbaarheid

16 % van de Nederlanders;
11 % van de Vlamingen.

Verwijzingen