Naar inhoud springen

rétamer

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rétamer
rétamais
rétamé
eerste groep volledig

rétamer

  1. opnieuw vertinnen; een nieuwe tinlaag zetten op
  2. (spreektaal) doden [1]
  3. (spreektaal) dronken voeren [1]
  4. (spreektaal) op zijn donder geven
    «Après le match, Lucien s'est fait rétamer par un supporter du PSG.»
    Na de wedstrijd heeft Lucien op zijn donder gekregen van een supporter van Paris Saint-Germain.

se rétamer

  1. wederkerend (spreektaal) vallen, onderuitgaan
    «Jeannot s’est rétamé la gueule par terre.»
    Jeannot is met zijn bek tegen de grond gegaan. [1]