quitte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • quit·te
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wederzijds niets meer schuldig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1563 [1]
stellend
onverbogen quitte
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

quitte

  1. vereffend van alle schuld
    • Nu was hij weer quitte met zijn rivaal. 

Bijwoord

quitte

  1. waarbij alle schulden vereffend zijn; noch winst noch verlies makend
    • Het bedrijf had ondanks de slechte economie quitte weten te spelen. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • quitte staan met iemand
wederzijds schuldvrij zijn met iemand
  • quitte spelen of draaien
noch winst noch verlies maken
  • quitte of dubbel
een hernieuwde weddenschap aangaan waarbij men ofwel zijn verlies ongedaan gemaakt ziet of juist verdubbeld

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen