puzzelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • puz·zel·de

Werkwoord

vervoeging van
puzzelen

puzzelde

  1. enkelvoud verleden tijd van puzzelen
    • Ik puzzelde. 
    • Jij puzzelde. 
    • Hij, zij, het puzzelde.