prikkie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prik·kie
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord prikkie prikkies

Zelfstandig naamwoord

prikkie o dim. tant.

  1. weinig geld
    • Ik heb dat voor een prikkie gekocht. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.