premenstrueel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·men·stru·eel
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen premenstrueel premenstrueler premenstrueelst
verbogen premenstruele premenstruelere premenstrueelste
partitief premenstrueels premenstruelers -

Bijvoeglijk naamwoord

premenstrueel

  1. (medisch) vóór de maandstonden (maadelijkse bloeding) bij de vrouw
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.