pompwater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen



Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pomp·wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pompwater
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pompwater o [1]

  1. water uit een pomp dat direct gebruikt wordt zonder verdere bewerking of zuivering
    • Ik heb er geen merkbare kwalen aan overgehouden, maar dat ik me ooit als magere knaap bij de boer onder ijskoud pompwater waste, kan ik me nu nauwelijks meer voorstellen. Het was ook de tijd dat je elkaar, enthousiast joelend, inzeepte met sneeuw, wat je als jongen de kans gaf om met meisjes in aanraking te komen.[2] 
    • 'Kropsalade. Deze wordt geheel, in pompwater met wat zout, ruim gekookt en is in een half uur tijds gaar, waarna men dezelve afgiet en ruim een half uur op eens vergiettest laat uitlekken.[3] 
Antoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Volkskrant 4 december 2010 Jongensspelletjes
  3. De Volkskrant Yvonne Gnirrep 24 januari 2003 Buiklosmakend en slaapverwekkend