polemiseren

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·le·mi·se·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
polemiseren
polemiseerde
gepolemiseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

polemiseren

  1. inergatief woordenstrijd voeren
    • Zarathustra zou in de Gatha's in bedekte termen al tegen de Mithra-verering gepolemiseerd hebben, ... [1] 
     Daarom 'zag hij ervan af om te polemiseren tegen de opvattingen over zedenkwesties van advocaat Olofsson, hoe interessant ze ook waren', met als toevoeging dat zo'n discussie de zaak niet vooruit zou helpen, en stelde voor dat ze in plaats daarvan verder zouden gaan naar de bewijsvoering.[2]

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Analecta Orientalia,
    E.J. Brill
    1954 blz 299
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “1968, De grote eeuw deel 7” (2017), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044633535
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be