Naar inhoud springen

plonger

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plonger
plongeais
plongé
eerste groep volledig

plonger

  1. onderdompelen
  2. duiken
  3. (spreektaal) moeten brommen, een tijd moeten opknappen
    «Si tu plonges, t'inquiète, je la ferme.»
    Maak je niet ongerust, als je de bak indraait hou ik mijn mond. [1]
  4. (spreektaal) kelderen, dalen
    «Les cours du pétrole ont encore plongé
    De olieprijzen zijn alweer gekelderd. [1]
  5. (spreektaal) op de fles gaan
    «Ce jeune entrepreneur a plongé très vite.»
    Die jonge ondernemer is al gauw op de fles gegaan. [1]