Naar inhoud springen

piept

Uit WikiWoordenboek
  • piept
vervoeging van
piepen

piept

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van piepen
    • Jij piept. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van piepen
    • Hij piept. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van piepen
    • Piept! 
     Terwijl beide mannen naar de deur lopen, piept mijn telefoon.[1]
     Op mijn vraag of het wel gaat, piept ze 'ja hoor'.[2]
  1. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340