pendel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pen·del
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘hanglamp’ voor het eerst aangetroffen in 1919 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pendel pendels
verkleinwoord pendeltje pendeltjes

Zelfstandig naamwoord

pendel m

  1. hanglamp
    • De pendel is het hart van de hanglamp, aan de bovenkant zit de verbinding met het electriciteitsnet, aan de onderkant kan de lamp en de lampekap worden bevestigd. 
  2. shuttlebus, een bus die over een korte afstand zonder dienstregeling heen en weer rijdt
    • Er is pendel tussen de parkeerplaatsen en de dierentuin zodat de bereikbaarheid met de auto goed is. 
  3. slinger, wichelroede
    • Door middel van een pendel wist het tovervrouwtje de toekomst te voorspellen. 
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
pendelen

pendel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pendelen
    • Ik pendel. 
  2. gebiedende wijs van pendelen
    • Pendel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pendelen
    • Pendel je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen