passeert

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas·seert

Werkwoord

vervoeging van
passeren

passeert

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passeren
    • Jij passeert. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passeren
    • Hij passeert. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van passeren
    • Passeert!