overhebben

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·heb·ben
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overhebben
had over
overgehad
onregelmatig volledig

Werkwoord

overhebben

  1. na alles gebruikt te hebben wat nodig is toch nog meer hebben, kunnen missen
    • Na alles gekocht te hebben wat hij nodig had, had hij nog 500 euro over. 
  2. een ander iets willen geven of iets voor iemand anders willen doen
    • De moeder had alles over voor haar kinderen. 

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.