opponens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·po·nens
Woordherkomst en -opbouw

uit het Latijn

enkelvoud meervoud
naamwoord opponens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

opponens m

  1. (onderwijs) aanspreektitel van iemand die (kritische) vragen stelt tijdens de promotie aan een universiteit
Verwante begrippen

Gangbaarheid

34 % van de Nederlanders;
30 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be