onberecht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·be·recht
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen onberecht
verbogen onberechte
partitief onberechts

Bijvoeglijk naamwoord

onberecht [1]

  1. (juridisch) van een zaak dat deze nog niet door een rechter is beoordeeld
    • Tot de socialistische musketiers behoorden Martine Aubry (Jacques Delors' dochter, wethouder in Lille), Dominique Strauss-Kahn (de man van financiën en het omstreden jeugd-banenplan), Cathérine Trautmann (burgemeester van Straatsburg), oud-minister van cultuur en onderwijs Jack Lang (de enige echte Mitterrandist in de ploeg), Bernard Kouchner (namens de radicaal-socialisten) en Laurent Fabius (nog steeds niet ministeriabel vanwege de onberechte kwestie van het met aids besmette donor-bloed dat tijdens zijn premierschap tot honderden doden leidde). [2] 
    • Tot nu toe heeft de Hoge Raad volgehouden dat persconferenties geen deel uitmaken van het vooronderzoek. Die lijn zal worden doorgetrokken naar de Boulevard-desk, maar tussen die opvatting van ons hoogste rechtscollege en de wijze waarop het Europese Hof naar uitlatingen van strafvorderlijke autoriteiten kijkt, gaapt een groot gat. Terporten zou daar zomaar in kunnen storten. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is veel strenger voor aanklagers – en andere autoriteiten – die praatjes hebben over nog onberechte verdachten. [3] 

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen