onbegaanbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·be·gaan·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onbegaanbaar onbegaanbaarder onbegaanbaarst
verbogen onbegaanbare onbegaanbaardere onbegaanbaarste
partitief onbegaanbaars onbegaanbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

onbegaanbaar

  1. waar je niet over kunt lopen of rijden
    • Hoewel de kaart aangaf dat de weg verhad zou moeten zijn, bleek het alleen maar een onbegaanbaar pad te zijn. 
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.