normale

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nor·ma·le

Bijvoeglijk naamwoord

normale

  1. verbogen vorm van de stellende trap van normaal


Deens

Woordafbreking
  • nor·ma·le
Naar frequentie 2928

Bijvoeglijk naamwoord

normale, g / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van normal

normale, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van normal


Noors

Woordafbreking
  • nor·ma·le
Naar frequentie 3639

Bijvoeglijk naamwoord

normale, m / v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van normal

normale, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van normal


Nynorsk

Woordafbreking
  • nor·ma·le

Bijvoeglijk naamwoord

normale, m /v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van normal

normale, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van normal